Categorie:Begraafplaatsen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Uit GeneaWiki Familiekunde Brussel
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Overzichtslijst begraafplaatsen

Klik hier om direct naar het overzicht van begraafplaatsen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te gaan.

Omgang met de doden [1] [2]

In verschillende culturen en doorheen de tijd werd er niet altijd op dezelfde manier met de doden omgegaan. Er is geen geleidelijke ontwikkeling in de wijzen van begraven. Begraven en cremeren bestonden als rituelen naast elkaar of wisselden elkaar af.

Al bij de neanderthalers van het midden-paleolithicum (300.000 tot 35.000 jaar geleden) bestond de gewoonte om de stoffelijke resten van overledenen te begraven. Het graf was meestal heel eenvoudig: een heuveltje, een paaltje of een markering met een steen.

In onze contreien dateren de eerste collectieve begraafplaatsen wellicht uit de periode rond 3500 v. Chr. De zogenaamde trechterbekervolkeren van de Noord-Europese nieuwe steentijd waren landbouwers die voor het bouwen van hun grafkamers dolmens of hunebedden gebruikten. De dolmens moeten eerder als knekelhuizen dan als echte graven worden beschouwd. Men heeft er gesorteerde beenderen aangetroffen: schedels bij schedels, dijbenen bij dijbenen enzovoorts. In en bij de dolmens treft men vaak brandsporen aan. Het vuur speelde in de dodencultus van de neolitische mens een bijzondere rol. Er waren ook grafgiften: versierd aardewerk en restanten van het begrafenismaal, maar ook wapens en soms sieraden.

Vanaf de midden-bronstijd (1800 tot 1100 v. Chr) vinden we crematiegraven terug. Dat zijn graven waarin crematieresten werden bijgezet. Van de late-bronstijd (1100 tot 800 v.Chr.) tot de vroege-ijzertijd (800 tot 450 v. Chr.) was lijkverbranding een traditie. In die periode ontstonden grote urnenvelden.

De Romeinse Twaalftafelenwet (ca. 451 v. Chr.) verbiedt het begraven of verbranden van overledenen in de stad: “Hominem mortuum in urbe ne sepelito neve urito.” (Tabula X) Het Saksische capitularium (een koninklijke verordening van Karel de Grote) van Paderborn in 785 verbiedt de lijkverbranding en legt de verplichting op tot het begraven van doden op kerkhoven.

Parochiale kerkhoven [3]

De begraafplaatsen van vandaag dateren in het beste geval uit de negentiende eeuw. Maar wat was er daarvoor?

Sinds de Middeleeuwen werd er begraven in de kerk. Dat blijkt uit de vele grafstenen die we in de kerken aantreffen, zowel in de vloer als tegen de muren. Het gewone volk werd begraven in gemeenschappelijke graven. In de kerk liggen aristocraten en geestelijken begraven. Was de kerk vol, dan moest men op zoek gaan naar andere locaties. Maar men wilde liefst zo dicht mogelijk bij God, en dus bij de kerk blijven. Zo ontstonden de kerkhoven, begraafplaatsen rond de kerk. Het waren heilige plaatsen, gewijde grond.

Tijdens de periode van de Oostenrijkse Nederlanden vaardigt keizer-koster Jozef II op 26 juni 1784 een edict uit waarmee hij beslist dat er om hygiënische redenen niet meer in noch rond de kerken mag worden begraven. Dat moet voortaan op plaatsen buiten de stadscentra gebeuren. De parochies kopen die gronden van de nieuwe begraafplaatsen, zodat er toch nog kerkelijk begraven kon worden. In Brussel werden drie grote begraafplaatsen opgericht, de zogenaamde begraafplaatsen van de vier parochies: tussen de Notelaarsstraat, de Keizer Karelstraat en de Leuvensesteenweg voor Sint-Goedele, Sint-Jacob, Sint-Niklaas en Onze-Lieve-Vrouw van Finisterae; die van de Kapellekerk op de plaats genaamd den schilt (Sint-Gillis) die buiten haar eigen parochianen ook de overledenen van het Sint-Janshospitaal en die van de kerken van de Zavel en van Sint-Jan en Stefaan ter Miniemen begraaft; die van Sint-Katelijne op het Scheutveld (Anderlecht) voor haar eigen parochianen en die van Onze-Lieve-Vrouw van Goede Bijstand, Sint-Jan-Baptist ten Begijnhof en Onze-Lieve-Vrouw ter Rijke Klaren. Ook de protestanten krijgen, net als de joden die dat recht al langer hadden, de mogelijkheid om hun eigen begraafplaatsen op te richten. Jozef II verordent wel dat alle overledenen dezelfde eerbetuigingen moeten krijgen, onafgezien van de godsdienst die ze belijden.

Tijdens de Franse bezetting werden - vanaf 1789 reeds - de begraafplaatsen geseculariseerd. Na de onafhankelijkheid van België in 1830 verwijderen de begraafplaatsen zich nog verder van de stadscentra. Dat gebeurt niet meer om hygiënische redenen, maar vanwege de prijs van de gronden.

In Brussel treft men nog altijd oude begraafplaatsen aan die duidelijk gemarkeerd zijn. Dat is het geval voor het plein van de Kleine Zavel, of het driehoekige plein rechts van de Kapellekerk, waar men niet heel diep moet graven om beenderen te ontdekken.

Gemeentelijke begraafplaatsen

De zogenaamde restitutiewet van 1803 (aangevuld door het decreet van 23 Prairial an XII) schenkt het eigendom van de begraafplaatsen terug aan de clerus. Dat decreet is na de onafhankelijkheid van België echter in strijd met de Grondwet. Volgens de Grondwet waren de burgerlijke begrafenissen immers toegelaten. In theorie althans, want van de ruim 2.555 begraafplaatsen in België bevonden er zich 2.336 rond of naast een kerk. Ze behoorden toe aan de parochie. En het Belgische episcopaat verbood het om ongelovigen, ongedoopte kinderen, geëxcommuniceerden, zelfmoordenaars, afvalligen en slachtoffers van tweegevechten in gewijde grond te begraven. Deze situatie blijft duren tot 13 februari 1964. Op die dag bekrachtigt een arrest van het Hof van Cassatie definitief het burgerlijke gezag over de begraafplaatsen. Vanaf datzelfde jaar ontvangt de stad Brussel het bedrag van de concessies van grond.

De gemeenten verliezen stilaan de mogelijkheid om exclusief katholieke begraafplaatsen te hebben. In 1869 schaft Brussel-stad de indeling van de begraafplaatsen volgens eredienst definitief af. Maar het zal nog tot de wet van 20 juli 1971 duren alvorens het keizerlijk decreet van 1804 wordt ingetrokken. Die wet van 1971 zorgt er voor dat de secties volgens eredienst niet meer door muren, hagen of grachten van elkaar mogen worden gescheiden en dat ze niet meer over een afzonderlijke ingang mogen beschikken. Aparte secties vergunnen is in strijd met het principe dat iedereen op gelijke voet gesteld wordt zonder rekening te houden met de geloofsovertuiging. Dat verklaart de zeldzaamheid van aparte joodse of islamitische secties. Een voorbeeld daarvan is de begraafplaats Dieweg in Ukkel, waar joden over meerdere perken beschikken waarin zich ook enkele christelijke graven bevinden.

Militaire begraafplaatsen [3]

Het Brussels gewest beschikt niet over afzonderlijke militaire begraafplaatsen. Er zijn wel militaire ereperken die deel uitmaken van de gemeentelijke begraafplaatsen. Deze militaire ereperken mag men trouwens niet verwarren met de gemeentelijke ereperken voor oudstrijders.

De militaire ereperken zijn voorbehouden voor overleden soldaten. Zij zijn gestorven voor het vaderland (een algemene benaming, die ook het overlijden door ziekte omvat) of in bevolen dienst (per ongeluk, ook in oorlogstijd) of op het veld van eer (tijdens de strijd).

Drie begraafplaatsen ontvangen van de federale overheid een vergoeding voor het onderhoud van de militaire ereperken:

Enkele afzonderlijke graven van Britse soldaten op de Oude begraafplaats van Sint-Agatha-Berchem worden eveneens op kosten van de federale overheid onderhouden. In ruil worden de graven van Belgische soldaten in Groot-Brittannië door de Britse overheid onderhouden. Britse militaire graven zoals deze op de Begraafplaats van Brussel te Evere worden onderhouden door de Commonwealth War Graves Commission. De Duitse militaire begraafplaatsen (waarvan Brussel er ook een telt), worden onderhouden door de Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge.


Geraadpleegde bronnen

  1. Ruud Spruit, De dood onder ogen : een cultuurgeschiedenis van sterven, begraven, cremeren en rouw (Houten, 1986).
  2. Marcel Celis, Kerkhoven en begraafplaatsen (Brussel, 2004), (Brussel, stad van kunst en geschiedenis ; 38).
  3. 3,0 3,1 Jacques A.M. Noterman, Guide des cimetières de Bruxelles : les personalités, particularités, adresses, téléphones, plans et prix de tous les cimetières de la capitale (Braine-l'Alleud, 1998). Met dank aan Rik Degraef die hielp bij de vertaling van sommige tekstfragmenten uit deze publicatie.



Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Categorieën
Familiekunde Brussel
Hulpmiddelen